Profeet Abraham (Ibrahim) neemt een centrale rol in binnen de tradities van het Jodendom, het Christendom en de Islam, met verhalen over hem die zowel in de Koran als in de Bijbel voorkomen. Echter, het is enkel in de Koran dat we unieke inzichten vinden over de religie van Abrahams landgenoten.
De goden van het Oude Mesopotamië
Alle drie religies associëren Abraham’s oorsprong met het oude Mesopotamië, waar het huidige Irak ligt. In dit gebied werden verschillende godheden aanbeden, waaronder hemellichamen zoals sterren en planeten. Elke stad vereerde haar eigen beschermgod als bron van zegeningen en bescherming. Bijvoorbeeld, Nanna, vertegenwoordigd door de halve maan, werd vereerd in UR en Haran, terwijl Shamash, gesymboliseerd door een stralende schijf, werd vereerd in Larsa en Sippar. De planeet Venus, in de vorm van de godin Ishtar, werd gesymboliseerd door een acht-puntige ster en aanbeden in Uruk. Deze hemellichamen, namelijk de Zon, de Maan en Venus, waren verweven tot een astro-triade, zoals blijkt uit verschillende artefacten die in de regio zijn gevonden zoals de “Stele van Ur-nammu”, ” Kudurru van Koning Meli Shipak” en de “stele van Nabonidus”. De brede verspreiding van deze artefacten wijst erop dat deze astro-triade een prominente cultus was in deze regio.
Wat zegt de Koran over het volk van Abraham?
Het volgende verhaal in de Koran wijst op een discussie tussen Abraham en zijn volk:
“Toen de nacht over hem daalde, zag hij een ster. Hij zei “Dit is mijn Heer.” Maar toen deze verdween, zei hij: “Ik hou niet van dingen die verdwijnen.” Vervolgens zag hij de maan opkomen, hij zei: “Dit is mijn Heer.” Maar toen zij onderging, zei hij: “Indien mijn Heer mij niet had geleid, dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren.” Toen hij de zon zag opkomen, zei hij: “Dit is mijn Heer. Dit is de grootste.” Maar toen zij onderging zei hij: “O mijn volk, ik heb niets te maken met wat jullie vergoddelijken”.” (Surah 6 verzen 76-78)
Het is duidelijk dat de Koran wijst op de aanbidding van de zon, maan en een ster. Het woord dat hier als “ster” werd vertaald is het Arabische woord “Kawkab”. De correcte vertaling van dit woordje is eigenlijk “hemellichaam” aangezien het zowel op een planeet als een ster kan wijzen. De Koran zegt dat dit hemellichaam slechts voor een korte periode bij het vallen van de avond zichtbaar was. Dit komt overeen met de kenmerken van de oud mesopotamische afgod “Ishtar”. Ishtar werd ook wel “de avondster” genoemd omdat ze Venus vertegenwoordigde, een planeet die slechts een korte tijd na het vallen van de avond zichtbaar is. We zien dus dat de vermelde details in de Koran over de religies in het oude Mesopotamië accuraat zijn. Wat deze openbaring nog intrigerender maakt, is dat kennis van de oude Mesopotamische religie eeuwenlang geheim bleef, verborgen onder het woestijnzand. De ontdekking van tempels zoals de Ziggurat van Ur in de 20e eeuw bracht deze kennis aan het licht. Zelfs de Soemerische taal, waarin deze artefacten geschreven werden, was tegen de 1e eeuw uitgestorven en werd pas in de 19e eeuw ontrafeld. Dit roept vragen op over hoe profeet Mohammed, die in de 7e eeuw leefde, dergelijke kennis kon bezitten.
De beschikbare bronnen
Tijdens profeet Mohammed’s tijd bestonden de beschikbare bronnen over de verhalen van Abraham voornamelijk uit de Bijbel en Joodse legendes. De Bijbel gaat echter niet dieper in op details over de afgoden en verwijst alleen naar “andere Goden”. (bron: Jozua 24:2) In een joodse geschrift, de apocalypse van Abraham, daarentegen vindt men het volgende terug:
“7:1 Dit zeg ik: 7:2 Vuur is het edelste [element] in het beeld [van de wereld], ] 7:3 Maar ik zou het ook geen god willen noemen, omdat het onderworpen is aan water. 7:4 Water is inderdaad edeler, omdat het vuur overwint en de aarde doorweekt. 7:5 Maar ik zou het geen god willen noemen, omdat het onderworpen is aan de aarde en eronderdoor stroomt. 7:6 Ik zou liever de aarde de edelste noemen, omdat ze de substantie en overvloed van water overwint. 7:7 Maar ik zou het ook geen goden willen noemen, omdat het door de zon verdroogd is [en omdat het gemaakt is voor mensen om te ploegen. 7:8 [Dus] zou ik de zon edeler willen noemen dan de aarde, aangezien zij met haar stralen de bewoonde wereld en de verschillende luchten verlicht. 7:9 Maar ik zou het ook niet tot een god maken, aangezien zijn loop [zowel] ‘s nachts [en] door de wolken wordt verduisterd. 7:10 Nogmaals, ik zou de maan en de sterren geen goden noemen, aangezien ook zij in hun tijden ‘s nachts hun licht kunnen verduisteren.” (Apocalypse van Abraham)
